Patrick Janssens: Marketeer van het Jaar? (1)

janssens_artikelbeeld.jpg

Patrick Janssens is een marketeer. Geen burgemeester. Dit verwijt wordt de Antwerpse burgervader met de regelmaat van de klok naar het hoofd geslingerd. In een aflevering van Terzake enkele maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, antwoordde Janssens op de vraag van Bracke of hij nu een burgemeester, dan wel een manager was, als volgt: “Het hangt ervan af wat men onder een manager verstaat. Als men onder een manager verstaat dat men de zaken op orde probeert te krijgen, en op een goede manier in een bepaalde lijn probeert te sturen, dan heb ik daar niets op tegen. Als men onder een manager verstaat iemand die bereid is voor een loon ender wat te doen, en anderen hun project uit te voeren, dan heb ik het er veel moeilijker mee. Ik denk niet dat dat laatste op mij van toepassing is.”

Siegfried Bracke gaat verder met te stellen dat de politicus van de toekomst misschien wel een marketeer is, iemand die heel goed kijkt wat de markt, de kiezer , de bevolking te bieden heeft, en die daar zijn daden aan aanpast. Janssens is het daar absoluut niet mee eens: “Ik denk zelfs dat dat in het bedrijfsleven niet geldt. Ik denk dat de toekomst is aan mensen die een richting kunnen uitzetten, en die mensen kunnen overtuigen dat dat de goede richting is. Ik vertel niet altijd dingen die de Antwerpenaren graag horen, politiek is geen jukebox. Als politicus moet je niet doen wat mensen je vragen, je moet doen wat je denkt dat nodig is, en daar wel proberen steun voor te krijgen.”

Ook Noël Slangen blijkt het eens te zijn met deze uitspraak. Gisteren (17 oktober) stelde hij tijdens een lezing aan de UA (master Politieke Communicatie) dat het vertrekpunt van een politicus nog steeds “ideologie” (een overtuiging) dient te zijn. Politici moeten overtuigen, en dat is de essentie van politiek. Je moet je niet door platvloers marktonderzoek laten leiden, en stellingen aannemen waarin 51% van het electoraat zich in kan vinden poneren. Nee, de essentie van politiek is overreden, mensen nieuwe inzichten bijbrengen. Het zijn vooral zulke nieuwe inzichten die wervend voor partijen blijken te zijn. Wat marktonderzoek politici wel kan bijbrengen is richtlijnen hierover. Al bleef Slangen over die richtlijnen betrekkelijk vaag.

Het magazine Trends organiseert naar jaarlijkse gewoonte de wedstrijd ‘Marketeer van het Jaar’. Patrick Janssens, Peter Vandermeersch (DeStandaard/Corelio) en Bart Crols (Volvo Cars) zijn de kandidaten.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder lezing, media, politiek

Lof der Politiek. Slow Politics, Fast Politics?

spuit.jpg

Naar aanleiding van Guy Cassiers’ ‘Triptiek van de Macht’, vond dinsdag 16 oktober in de Bourla-schouwburg ‘Lof der Politiek’ plaats. Met Yves Desmet (DeMorgen) als moderator, Karel De Gucht (Open VLD) en Bart DeWever (N-VA) als degenkruisers, en Vic -vader van Bert- Anciaux als eminence grise, diende gedebateerd te worden over wat politiek in dit fel gemediatiseerde tijdperk inhoudt.

Dat juist deze politici hun licht over deze materie mochten laten schijnen, had niet zozeer met ‘plat op de buik gaan’, dan wel met een fikse ‘lepel suiker’ te maken. De aanleiding van hun spreken was de gedachtenwisseling tussen De Gucht en De Wever in deGedachte, rubriek in de Morgen. In deze rubriek had Karel De Gucht immers een lans gebroken voor wat hij ‘Slow Politics’ zou willen noemen. De Gucht pleitte  er in zijn erudiete politiek essay voor dat aanstormende politieke talenten zich niet zouden mogen laten meeslepen door de mediamaalstroom ofte de 24 uur-nieuwseconomie, en beter traag maar gestaag, door middel van dossierkennis en specialisering, naar politieke topposten dienden toe te groeien.

Bart De wever reageerde hierop met ‘Slow Politics, No Politics’, waarin hij stelde dat zonder camerawerk een  succesvolle politieke carrière uit de grond stampen onbegonnen werk is. Ook Dewever was  bij de aanvang van zijn carriére de mening van De Gucht toegedaan, maar moest al snel, wilde hij geen knecht blijven, media-doping tot zich nemen om met de eersten over colletjes buiten categorie te geraken.

Al snel vonden beide politici elkaar in de stelling dat fast politics dan misschien wel nodig is om op een bepaald moment aan het raam van de toppolitiek te kunnen komen kijken, maar dat slow politics noodzakelijk is om er te blijven, en niet snel aangebrand te geraken. Volgens De Gucht duidt de media “specialisten” aan, en moeten politici ervoor zorgen dat hun naam met een bepaalde specialiteit (en dus een bepaald onderwerp) geassocieerd wordt. Bart De Wever stelde dan weer dat media het politieke recruteringsproces verziekt hadden. In de Fast Politics zijn het immers de Fast media die de selectiecriteria en de lijstvorming binnen politieke partijen bepalen. Vandaar ook dat bepaalde politieke merknamen als ‘De Gucht’, ‘Van den Bossche’ en ‘De Clerck’ als piepjonge nieuwkomers zulke hoge scores halen, terwijl minder mediagenieke parlementarieërs die op ingewikkelde dossiers zwoegen bedankt worden voor bewezen diensten. Exit Fons Borgingon. Herinnert er iemand zich soms nog de enorm hoge score die een zekere DeWinter (helemaal geen familie van) op een lijst van het Vlaams Belang  haalde?

De Wever sleurde er vervolgens de verloren gegane glorie van de ‘verzuiling’ bij, die, zoals men ongetwijfeld weet, eigen interne selectiecriteria had, en dus zelf bepaalde wie het naar voren stuuwde. Zo werd Dehaene destijds minister zonder ook maar één stem effectief verdient te hebben. Nu de politieke markt meer en meer naar een consumentenmarkt neigt, gelden er andere selectiecriteria en worden andere types van personen naar voren geschoven, concludeerde DeSmet.

Andere interessante punten aangehaald tijdens het debat:

  •  de term ‘Goed Bestuur’ is een uitvinding van Jan Callebaut, van Censydiam.

  •  Leesvoer van Karel de Gucht, gericht aan Bart De Wever: “Arthur Miller. Over Politiek en de kunst van het acteren.”

  •  Yves Desmet strooit met citaten (soundbites, oneliners) van beroemde politici, enkele voorbeelden:
    “Wanneer ik morgen van de ene oever van de Thames naar de andere over het water zou schreiden, dan zou de pers schrijven: EERSTE MINISTER KAN NIET ZWEMMEN.” (M. Tatcher)

    “Politics is the ability to foretell what is going to happen tomorrow, next week, next month and next year. And to have the ability afterwards to explain why it didn’t happen. ” (W. Churchill)

    “In war, you can be killed only once, but in politics, you can be killed many times.” (W. Churchill)

    “It has been said that democracy is the worst form of government. That is true. It is the worst form of government, except all the others that ever have been tried.” (W. Churchill)

    “Study History,Study History. In History lies all the secrets of statecraft.” (W. Churchill)

2 reacties

Opgeslagen onder lezing, media, politiek

De consumptiemaatschappij als een uitdeinende olievlek.

descartes.jpg

Op donderdag 11 oktober gaf socioloog Walter Weyns in het kader van de lezingencyclus ‘Ik koop dus ik ben?’ een voordracht over ‘Consumptie en Reclamewaarden’. Het belang van reclame voor de consumptiemaatschappij kan immers moeilijk overschat worden. Naast het feit dat reclame aanzet tot kopen, en op die manier de consumptiemaatschappij draaiende houdt, geven reclameboodschappen immers ook impliciet een antwoord op de vraag naar hoe de mens in deze maatschappij dient te leven. Het mensbeeld dat in reclameboodschappen gedeclameerd wordt, stelt Prof. Weyns allerminst gelukkig, en daar kan ook onderstaande bloemlezing niet aan ontsnappen.

Walter Weyns start zijn uiteenzetting met een verwijzing naar de these van Don Slater. Slater stelt dat de term ‘consumptiemaatschappij’ maar al te vaak achteloos in de mond genomen wordt. De term consumptiemaatschappij verwijst volgens Slater niet enkel naar veel consumeren, noch naar de versnelde afschrijvingstijd van duurzame goederen, noch naar de uitbreiding van het aantal sociale strata dat zich zulke duurzame goederen veroorloven kan. De term consumptiemaatschappij wordt door Slater gereserveerd voor die maatschappijen waar er een bepaalde sfeer is waarin uitsluitend geconsumeerd wordt, waardoor er een permanentie van consumptiemogelijkheden ontstaat. In deze wereld zonder schaarste wordt consumeren bepalend voor de identiteit van de mens, en grijpen waarden als individualisme, commodificatie en narcisme in alle domeinen van het maatschappelijke leven wild om zich heen .

Waar onderzoek naar de consumptiemaatschappij zich vooral op de waarden die deze maatschappij voortbrengt concentreert, en de voorwaarden die de voedingsbodem van deze maatschappijvorm vormen achterwege laten, schuift Prof. Weyns wel enkele zaken naar voren die, al dan niet oorzakelijk, bijgedragen hebben tot de totstandkoming ervan.  De eerste voorwaarde, en tevens de meest logische, wordt gevormd door de realisatie van een productieapparaat dat in staat is om massa-goederen te produceren en voor een permanent aanbod te zorgen. Toch vormt productie niet de kern van de consumptiemaatschappij. Centraal in de consumptiemaatschappij staat immers, jawel, consumeren. En tot dit consumeren diende de mens gesocialiseerd te worden. De houding van de traditionele mens wordt immers gekenmerkt door een sterke bewaringsdrang (Daarvan getuigen de ingevroren restjes soep in de diepvries van jullie bomma’s, of de gestopte sokken in hun lades). De mens diende zijn binding met ‘de dingen’ te vernietigen, diende een zekere wegwerpcultuur eigen gemaakt te worden. Naast het arbeidsethos diende met andere woorden een consumptie-ethos te verschijnen. Deze verschuiving werd bewerkstelligt door een aantal zaken, waarvan Prof. Weyns er twee uitlichtte: religie en reclame.

De religiethese van Weyns gaat terug op Colin Campbell, en die auteur verhaalt de ‘protestantismethese’ waar eerder ook Weber al over schreef. Om tot de fel gecontesteerde kern van de zaak te komen:  er zou sprake zijn van een sterke wahlverwandschaft tussen het calvinisme en het kapitalisme. Maar ook het piëtisme en de romanstische stroming maakten dat de culturele atmosfeer de acceptatie van een consumptie-ethos gemakkelijker maakten. Naast deze in de lucht hangende culturele stromingen, deed ook reclame zijn duit in het zakje.  De eerste reclamemakers kunnen omschreven worden als missionarissen van de vooruitgang, waarbij alle behoeften (geluk, slapen, wonen, ontspannen)  omgezet dienden te worden in consumptiebehoeften. “Als mensen hun passies, emoties, hun diepste wensen willen waarmaken, dan zouden ze willes nilles langs de toonbank moeten passeren” dixit Prof. Weyns. “Daarmee is de identiteit van mensen eerder een functie geworden van consumeren, dan dat het andersom het geval is.”

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder lezing

Over Leven in de Wetstraat

boek.jpg

Al enige tijd in de boekhandel verkrijgbaar: “Over leven in de Wetstraat”, een 160 pagina’s tellend boekje geschreven door Pol Van den Driessche, de doorwinterde wetstraatjournalist die sinds de voorbije federale verkiezingen op een CD&V-zitje in de senaat kan rekenen. In het boekje stelt Van den Driessche dat politici zich terug met hun corebusiness moeten gaan bezighouden (aan politiek doen), en zich niet met allerlei marketingfoorwijverij moeten inlaten. Tegelijkertijd is het enige werkelijk “vernieuwende” hoofdstuk uit het boek datgene dat handelt over restaurants waar je politici regelmatig kan zien degusteren. Iets in mij zegt dat het juist dit soort zaken zijn die onder marketingfoorwijverij ingedeeld kunnen worden. Soit.

Het laagdrempelige boekje met het te grote lettertype en de kinderlijke tittel is interessant leesvoer voor de wetstraatneofiet, maar ook niet meer dan dat. En dat is jammer voor iemand met zo’n rijke loopbaan als Van den Driessche, van wie je toch meer zou verwachten. Al kan juist het feit dat hij nu ook werkelijk practiserend politicus is, mede de oorzaak zijn dat er in dit boekje op veilig gespeeld wordt en er niet al te grote ontboezemingen gedaan worden.

  • Heerlijk! Die politieke journalisten onder elkaar. Wat de één niet durft te onthullen, weet de ander net goed genoeg te verhullen. Of niet? Vandaag in DeMorgen (woensdag 10 oktober) wordt het boek van Van den Driessche besproken door Yves Desmet. Daarin volgende interessante passage: “Hij (Pol) is ook niet te beroerd om in eigen hart te kijken, en vertelt voor het eerst hoe zijn toenmalige krant Het Nieuwsblad het bericht bracht dat Elio Di Rupo van pedofilie verdacht werd. Een politicus van de oppositie bezorgde zijn redactie een selectief proces-verbaal waarin een politieman een oude rekening met Di Rupo probeerde te vereffenen. Dat die politicus vandaag in kartel met het Vlaams Belang opkomt, vergeet hij er jammer genoeg bij te vermelden.”

    Volgens mij doelt Yves Desmet duidelijk op deze politicus, waarvan ik liever de Jeroom-cartoon in de link gezet had.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boek, politiek

De schijnbare laakbaarheid van perceptie.

muller31.jpg

 

Vaak wordt er met een zeker misprijzen over marketing, en vooral dan diens promotiezijde, gepraat. Marketeers worden met de vinger gewezen omdat ze mensen doelbewust trachten te misleiden. Niemand beschreef dit gevoel beter dan Walsh, die stelde dat “Advertising is seen as persuading people to buy products that they do not need with money that they have not got, and which are shoddy anyway”.

Eigenlijk boezemt alles wat met perceptie te maken heeft de mens een soort van angst in. Je beleeft immers iets dat niet noodzakelijk de werkelijkheid is, laat je meeslepen en voor  je het weet ben je verkocht. Vaak letterlijk dan.

Bij politici is het niet anders dan bij marketeers. Ze worden verweten mensen een rad voor de ogen te draaien, de werkelijkheid op zulke wijze weer te geven dat die wel in hun kraam past. Mensen voelen zich dan bedrogen, en vervloeken zowel de smerige spindoctors die de politieke boegbeelden al dit listigs hebben ingefluisterd, als ‘de politiekers’ zelf. Toch kan je niet zeggen dat spelen met de perceptie van mensen in de grond slecht is. Wat ten kwade gebruikt wordt, kan in dit geval ook ten goede gebruikt worden. En gelukkig maar. Zo bleek uit een marktonderzoek van de Stad Antwerpen dat toen de actie van de “Wijkagent” liep, de Antwerpenaar zich systematisch veiliger voelde in de stad. Op die manier werd zonder de inzet van meer blauw op straat, een veiligheidsgevoel gecreëerd. Natuurlijk is dit veiligheidsgevoel maar schijn, maar in de hoofden van de Antwerpenaren was de stad er wel degelijk veiliger op geworden. En wat is daar verkeerd mee?

De befaamde socioloog Thomas onderschreef in reeds lang vervlogen tijden het belang van perceptie. In het naar hem vernoemde theorema, dat als volgt luidt: “If people define situations as real, they are real in their consequences”, maakt Thomas duidelijk dat de beleefde werkelijkheid minstens even belangrijk is als de waarlijke werkelijkheid zelf, aangezien beiden (en misschien het eerste type werkelijkheid wel meer) in grote mate het menselijk gedrag bepalen. Wat is er dan verkeerd aan het inzetten van middelen om beide soorten werkelijkheid ten goede te beïnvloeden?

Natuurlijk mag spelen met de perceptie van burgers niet los staan van investeringen in de werkelijkheid zelf, en dit niet enkel omdat er grenzen zijn aan de mate waarin je mensen jouw verhaal kan doen geloven (jij smeerlap!).

Lang leve de perceptie! Houden we niet allemaal van Schone Schijn? (And who minds the pedestrian….)

1 reactie

Opgeslagen onder media, politiek

De ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

kundera.jpg

 

Aan iedereen die nog een thesis, eindverhandeling, masterscriptie of whatever schrijven moet, en graag belezen, maar niet al te slijmerig over wil komen: blijven lezen! Of je kan gewoon volgende magistrale passage uit Milan Kundera’s prachtige boek ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’  (eerste druk 1985) gebruiken:

Franz schudt het hoofd: ‘In een welvarende maatschappij hoeven mensen niet met de handen te werken en kunnen zich wijden aan geestelijke activiteiten. Er komen hoe langer hoe meer universiteiten en hoe langer hoe meer studenten. Om te kunnen afstuderen moeten de studenten onderwerpen voor hun proefschrift bedenken. De onderwerpen zijn ontelbaar, want je kunt in deze wereld over alles een verhandeling schrijven. De volgeschreven vellen papier stapelen zich op in archieven die troostelozer zijn dan kerkhoven omdat niemand ze betreedt, zelfs niet op Allerzielen. De cultuur verdwijnt in de geproduceerde hoeveelheid, onder een lawine van letters, in de waanzin van de kwantiteit. Daarom vind ik dat één verboden boek in jouw voormalig vaderland oneindig meer betekent dan miljarden woorden die onze universiteiten spuien.’

1 reactie

Opgeslagen onder Boek

Autisme?

weegschaal.jpg

 

Iedereen heeft recht op verdediging. En iedereen is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Maar wat als iemand zo guilty is as hell? Wat als iemand, op klaarlichte dag, en met een duidelijk racistisch motief, aan een dodelijke raid door Antwerpen begint? Je zou kunnen zeggen dat zelfs in dat geval een advocaat het onderste uit de kan dient te halen. Ik zou je zelfs gelijk kunnen geven met die stellingname. Maar sommige dingen gaan te ver. Doormiddel van een op losse schroeven staande redenering omtrent autisme het onderste uit de kan trachten te halen, is onwezenlijk. Laten we hopen dat rechtvaardigheid geschiedt, whatever that may be

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder media