Categorie archief: lezing

Externen in de Politiek: De rol van politiek marktonderzoek

poll475.jpg

 

Op woensdag 17 oktober verzamelden Jan Drijvers (TNS-media), Noël Slangen (Groep C, Open VLD)  en Koen Pelleriaux (SP.A) onder het waakzame oog van een veertigtal studenten Politieke Communicatie (UA) om licht te doen schijnen in de duisternis. Twee vragen dienden beantwoord te worden. Eén: Wat voor soorten Politiek Marktonderzoek worden er in België zoal bedreven? Twee: Wat doen politici daar nu eigenlijk mee?

De in een sneltempo powerpointslides afhandelende Jan Drijvers startte met de boodschap dat Politiek Marktonderzoek zoveel meer is dan enkel maar het uitvoeren van peilingen, maar dat omwille van de grote misvattingen die over pollen bestaan, het gros van zijn presentatie over peilen zou gaan. Maar voordat dit geschiedde, belastte Drijvers Politiek marktonderzoek nog eventjes met een bijbelse missie,”het contact herstellen met het van de politiek vervreemde electoraat”. En hij zag dat het goed was.

Drijvers was vastbesloten een lans te breken voor het peilen, dat al te vaak verkeerd begrepen wordt. Interessant waren dan ook (sommige) van zijn kanttekeningen, die u hier meekrijgt:

  1. Peilingen zijn eigenlijk steekproeven met betrouwbaarheidsmarges. In de politieke markt zijn deze betrouwbaarheidsmarges bovendien erg groot, aangezien we hier in België met vele politieke partijen op een zakdoek bij elkaar zitten. Dit maakt, in tegenstelling tot wat u misschien zou kunnen vermoeden, peilingresultaten er niet direct betrouwbaarder op.

  2. Elke ondervragingsmethode vertekent. Of je nu opteert voor telefonische, of face-to-face methoden: vertekening is uw deel. En voor bevragingen via het internet geldt dit nog het meest.

  3. In tegenstelling tot stemmen, is de deelname aan een peiling niet verplicht, maar vrij, waardoor vertekening wederom uw deel is.

  4. Peilen is een menswetenschap. De mens is…wispelturig van nature?

  5. Stemmen doe je niet enkel op partijen, maar ook op personen. Drijvers stelt enkel naar partijen te vragen.

  6. De problematiek van politieke zapping: je stemt niet noodzakelijk voor dezelfde partij in kamer en senaat. Vragen peilingen dan enkel maar op welke partij er gestemd wordt (zonder dat “voor de kamer” of “voor de senaat” er achtergezet wordt?)

  7. Peilingen zijn momentopnamen, geen prognoses. En dat durven mensen wel al eens te vergeten. Bij publicatie vormen de resultaten van een peilingen reeds gedateerde data

  8. Peilingen publiceren , is ze eigenlijk te niet doen, omdat ze in grote mate media-aandacht weten te genereren

Waarom er nog gepeild moet worden als daags na de verkiezingen blijkt dat ze er toch (wederom) mijlenver naast zitten? Drijvers wimpelt deze kritiek af met een slimmigheidje: Peilingen kunnen enkel maar verliezen, want de verrassingen van de verkiezingen (en elke verkiezing heeft zo zijn verrassingen) zijn juist die zaken die peilers niet wisten te voorspellen. Mooi zo.

Naast het uitvoeren van peilingen houdt TNS-Dimarso zich ook nog zinledig (ach ja) met het positioneren van politieke partijen, het schaven aan het imago van politici, het verzorgen van hunner externe communicatie, motivationeel onderzoek etcetera. Enkele interessante resultaten uit het post-electorale onderzoek van de recentste verkiezingen dan maar: 17% van alle kiezers blijkt pas op de laatste dag (en dus quasi in het stemhokje), te beslissen op wie te stemmen. Bij LDD gaat dit het verst: maar liefst 1/3 van alle LDD-stemmers besloten in de laatste week voor de verkiezingen op DeDecker te stemmen. Dit verklaart ook meteen waarom de peilingen er naast zaten wat LDD betreft. Nog een leuke: De splitsing van BHV blijkt de belangrijkste reden te zijn waarom mensen voor de eerste maal voor de CD&V kozen.

 Maar waar dient al dit gemonster voor? Een doodeerlijke Koen Pelleriaux (“peilingen die in ons voordeel spreken, lekken we” & “De SP.A heeft op twee notoire uitzonderingen na, nooit van standpunt verandert toen bleek dat de meerderheid van het kiespubliek er een andere mening op nahield”) had het over de gemoedsrust van politici, het krijgen van feedback. De soms in tongen sprekende Slangen was het hier niet mee eens. Marktonderzoek dient volgens hem dan ook voor inspiratie en factuele informatie. Voorts sprak hij over de onzin van terreinwerk (militanten, diegenenen die je tegenkomt op mosselsoupers, zijn altijd extremer) en het belang van de DagAllemaal. Een voorbeeldje: Heeft de VLD een probleem met DeDecker? In de ogen van de militanten: JA! In de perceptie leeft dit sterk. Wat blijkt uit marktonderzoek: NEE! De meeste kiezers van de VLD liepen over naar CD&V…

 Wat moeten politici aanvangen met marktonderzoek? Is de politicus van de toekomst een marketeer? Iemand die goed kijkt wat er bij de bevolking, het kiespubliek leeft, en zich daar vervolgens aan aanpast? Nee, politici dienen hun overtuiging (ideologie) als vertrekpunt te nemen, en niet domweg die 51% te volgen. Politici dienen te overtuigen, dat is nog steeds de essentie van politiek, ook in tijden van Fast Media en Fast Politics. Wat politici moet doen is mensen nieuwe inzichten bijbrengen, zulke ideëen blijken bovendien zeer wervend te (kunnen?) zijn. Aldus Slangen. Marktonderzoek kan hier richtlijnen over geven. Al blijft Slangen over deze richtlijnen erg vaag…

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder lezing, media, politiek

Patrick Janssens: Marketeer van het Jaar? (1)

janssens_artikelbeeld.jpg

Patrick Janssens is een marketeer. Geen burgemeester. Dit verwijt wordt de Antwerpse burgervader met de regelmaat van de klok naar het hoofd geslingerd. In een aflevering van Terzake enkele maanden voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006, antwoordde Janssens op de vraag van Bracke of hij nu een burgemeester, dan wel een manager was, als volgt: “Het hangt ervan af wat men onder een manager verstaat. Als men onder een manager verstaat dat men de zaken op orde probeert te krijgen, en op een goede manier in een bepaalde lijn probeert te sturen, dan heb ik daar niets op tegen. Als men onder een manager verstaat iemand die bereid is voor een loon ender wat te doen, en anderen hun project uit te voeren, dan heb ik het er veel moeilijker mee. Ik denk niet dat dat laatste op mij van toepassing is.”

Siegfried Bracke gaat verder met te stellen dat de politicus van de toekomst misschien wel een marketeer is, iemand die heel goed kijkt wat de markt, de kiezer , de bevolking te bieden heeft, en die daar zijn daden aan aanpast. Janssens is het daar absoluut niet mee eens: “Ik denk zelfs dat dat in het bedrijfsleven niet geldt. Ik denk dat de toekomst is aan mensen die een richting kunnen uitzetten, en die mensen kunnen overtuigen dat dat de goede richting is. Ik vertel niet altijd dingen die de Antwerpenaren graag horen, politiek is geen jukebox. Als politicus moet je niet doen wat mensen je vragen, je moet doen wat je denkt dat nodig is, en daar wel proberen steun voor te krijgen.”

Ook Noël Slangen blijkt het eens te zijn met deze uitspraak. Gisteren (17 oktober) stelde hij tijdens een lezing aan de UA (master Politieke Communicatie) dat het vertrekpunt van een politicus nog steeds “ideologie” (een overtuiging) dient te zijn. Politici moeten overtuigen, en dat is de essentie van politiek. Je moet je niet door platvloers marktonderzoek laten leiden, en stellingen aannemen waarin 51% van het electoraat zich in kan vinden poneren. Nee, de essentie van politiek is overreden, mensen nieuwe inzichten bijbrengen. Het zijn vooral zulke nieuwe inzichten die wervend voor partijen blijken te zijn. Wat marktonderzoek politici wel kan bijbrengen is richtlijnen hierover. Al bleef Slangen over die richtlijnen betrekkelijk vaag.

Het magazine Trends organiseert naar jaarlijkse gewoonte de wedstrijd ‘Marketeer van het Jaar’. Patrick Janssens, Peter Vandermeersch (DeStandaard/Corelio) en Bart Crols (Volvo Cars) zijn de kandidaten.

1 reactie

Opgeslagen onder lezing, media, politiek

Lof der Politiek. Slow Politics, Fast Politics?

spuit.jpg

Naar aanleiding van Guy Cassiers’ ‘Triptiek van de Macht’, vond dinsdag 16 oktober in de Bourla-schouwburg ‘Lof der Politiek’ plaats. Met Yves Desmet (DeMorgen) als moderator, Karel De Gucht (Open VLD) en Bart DeWever (N-VA) als degenkruisers, en Vic -vader van Bert- Anciaux als eminence grise, diende gedebateerd te worden over wat politiek in dit fel gemediatiseerde tijdperk inhoudt.

Dat juist deze politici hun licht over deze materie mochten laten schijnen, had niet zozeer met ‘plat op de buik gaan’, dan wel met een fikse ‘lepel suiker’ te maken. De aanleiding van hun spreken was de gedachtenwisseling tussen De Gucht en De Wever in deGedachte, rubriek in de Morgen. In deze rubriek had Karel De Gucht immers een lans gebroken voor wat hij ‘Slow Politics’ zou willen noemen. De Gucht pleitte  er in zijn erudiete politiek essay voor dat aanstormende politieke talenten zich niet zouden mogen laten meeslepen door de mediamaalstroom ofte de 24 uur-nieuwseconomie, en beter traag maar gestaag, door middel van dossierkennis en specialisering, naar politieke topposten dienden toe te groeien.

Bart De wever reageerde hierop met ‘Slow Politics, No Politics’, waarin hij stelde dat zonder camerawerk een  succesvolle politieke carrière uit de grond stampen onbegonnen werk is. Ook Dewever was  bij de aanvang van zijn carriére de mening van De Gucht toegedaan, maar moest al snel, wilde hij geen knecht blijven, media-doping tot zich nemen om met de eersten over colletjes buiten categorie te geraken.

Al snel vonden beide politici elkaar in de stelling dat fast politics dan misschien wel nodig is om op een bepaald moment aan het raam van de toppolitiek te kunnen komen kijken, maar dat slow politics noodzakelijk is om er te blijven, en niet snel aangebrand te geraken. Volgens De Gucht duidt de media “specialisten” aan, en moeten politici ervoor zorgen dat hun naam met een bepaalde specialiteit (en dus een bepaald onderwerp) geassocieerd wordt. Bart De Wever stelde dan weer dat media het politieke recruteringsproces verziekt hadden. In de Fast Politics zijn het immers de Fast media die de selectiecriteria en de lijstvorming binnen politieke partijen bepalen. Vandaar ook dat bepaalde politieke merknamen als ‘De Gucht’, ‘Van den Bossche’ en ‘De Clerck’ als piepjonge nieuwkomers zulke hoge scores halen, terwijl minder mediagenieke parlementarieërs die op ingewikkelde dossiers zwoegen bedankt worden voor bewezen diensten. Exit Fons Borgingon. Herinnert er iemand zich soms nog de enorm hoge score die een zekere DeWinter (helemaal geen familie van) op een lijst van het Vlaams Belang  haalde?

De Wever sleurde er vervolgens de verloren gegane glorie van de ‘verzuiling’ bij, die, zoals men ongetwijfeld weet, eigen interne selectiecriteria had, en dus zelf bepaalde wie het naar voren stuuwde. Zo werd Dehaene destijds minister zonder ook maar één stem effectief verdient te hebben. Nu de politieke markt meer en meer naar een consumentenmarkt neigt, gelden er andere selectiecriteria en worden andere types van personen naar voren geschoven, concludeerde DeSmet.

Andere interessante punten aangehaald tijdens het debat:

  •  de term ‘Goed Bestuur’ is een uitvinding van Jan Callebaut, van Censydiam.

  •  Leesvoer van Karel de Gucht, gericht aan Bart De Wever: “Arthur Miller. Over Politiek en de kunst van het acteren.”

  •  Yves Desmet strooit met citaten (soundbites, oneliners) van beroemde politici, enkele voorbeelden:
    “Wanneer ik morgen van de ene oever van de Thames naar de andere over het water zou schreiden, dan zou de pers schrijven: EERSTE MINISTER KAN NIET ZWEMMEN.” (M. Tatcher)

    “Politics is the ability to foretell what is going to happen tomorrow, next week, next month and next year. And to have the ability afterwards to explain why it didn’t happen. ” (W. Churchill)

    “In war, you can be killed only once, but in politics, you can be killed many times.” (W. Churchill)

    “It has been said that democracy is the worst form of government. That is true. It is the worst form of government, except all the others that ever have been tried.” (W. Churchill)

    “Study History,Study History. In History lies all the secrets of statecraft.” (W. Churchill)

2 reacties

Opgeslagen onder lezing, media, politiek

De consumptiemaatschappij als een uitdeinende olievlek.

descartes.jpg

Op donderdag 11 oktober gaf socioloog Walter Weyns in het kader van de lezingencyclus ‘Ik koop dus ik ben?’ een voordracht over ‘Consumptie en Reclamewaarden’. Het belang van reclame voor de consumptiemaatschappij kan immers moeilijk overschat worden. Naast het feit dat reclame aanzet tot kopen, en op die manier de consumptiemaatschappij draaiende houdt, geven reclameboodschappen immers ook impliciet een antwoord op de vraag naar hoe de mens in deze maatschappij dient te leven. Het mensbeeld dat in reclameboodschappen gedeclameerd wordt, stelt Prof. Weyns allerminst gelukkig, en daar kan ook onderstaande bloemlezing niet aan ontsnappen.

Walter Weyns start zijn uiteenzetting met een verwijzing naar de these van Don Slater. Slater stelt dat de term ‘consumptiemaatschappij’ maar al te vaak achteloos in de mond genomen wordt. De term consumptiemaatschappij verwijst volgens Slater niet enkel naar veel consumeren, noch naar de versnelde afschrijvingstijd van duurzame goederen, noch naar de uitbreiding van het aantal sociale strata dat zich zulke duurzame goederen veroorloven kan. De term consumptiemaatschappij wordt door Slater gereserveerd voor die maatschappijen waar er een bepaalde sfeer is waarin uitsluitend geconsumeerd wordt, waardoor er een permanentie van consumptiemogelijkheden ontstaat. In deze wereld zonder schaarste wordt consumeren bepalend voor de identiteit van de mens, en grijpen waarden als individualisme, commodificatie en narcisme in alle domeinen van het maatschappelijke leven wild om zich heen .

Waar onderzoek naar de consumptiemaatschappij zich vooral op de waarden die deze maatschappij voortbrengt concentreert, en de voorwaarden die de voedingsbodem van deze maatschappijvorm vormen achterwege laten, schuift Prof. Weyns wel enkele zaken naar voren die, al dan niet oorzakelijk, bijgedragen hebben tot de totstandkoming ervan.  De eerste voorwaarde, en tevens de meest logische, wordt gevormd door de realisatie van een productieapparaat dat in staat is om massa-goederen te produceren en voor een permanent aanbod te zorgen. Toch vormt productie niet de kern van de consumptiemaatschappij. Centraal in de consumptiemaatschappij staat immers, jawel, consumeren. En tot dit consumeren diende de mens gesocialiseerd te worden. De houding van de traditionele mens wordt immers gekenmerkt door een sterke bewaringsdrang (Daarvan getuigen de ingevroren restjes soep in de diepvries van jullie bomma’s, of de gestopte sokken in hun lades). De mens diende zijn binding met ‘de dingen’ te vernietigen, diende een zekere wegwerpcultuur eigen gemaakt te worden. Naast het arbeidsethos diende met andere woorden een consumptie-ethos te verschijnen. Deze verschuiving werd bewerkstelligt door een aantal zaken, waarvan Prof. Weyns er twee uitlichtte: religie en reclame.

De religiethese van Weyns gaat terug op Colin Campbell, en die auteur verhaalt de ‘protestantismethese’ waar eerder ook Weber al over schreef. Om tot de fel gecontesteerde kern van de zaak te komen:  er zou sprake zijn van een sterke wahlverwandschaft tussen het calvinisme en het kapitalisme. Maar ook het piëtisme en de romanstische stroming maakten dat de culturele atmosfeer de acceptatie van een consumptie-ethos gemakkelijker maakten. Naast deze in de lucht hangende culturele stromingen, deed ook reclame zijn duit in het zakje.  De eerste reclamemakers kunnen omschreven worden als missionarissen van de vooruitgang, waarbij alle behoeften (geluk, slapen, wonen, ontspannen)  omgezet dienden te worden in consumptiebehoeften. “Als mensen hun passies, emoties, hun diepste wensen willen waarmaken, dan zouden ze willes nilles langs de toonbank moeten passeren” dixit Prof. Weyns. “Daarmee is de identiteit van mensen eerder een functie geworden van consumeren, dan dat het andersom het geval is.”

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder lezing